Vragen staat vrij – toch?

Voor diegenen die wat minder verslaafd zijn aan Amerikaanse politiek als wij (we hebben er tenslotte een keer een boek over geschreven): vorige week schoot de Somalisch-Amerikaanse Democratische politica Ilhan Omar keihard uit haar slof, nadat haar gevraagd werd of ze vrouwenbesnijdenis weer eens een keertje wilde veroordelen. Dit was haar reactie:

Is dat niet een wat overdreven reactie? Ze kan toch gewoon zeggen: “vrouwenbesnijdenis is inderdaad compleet gestoord” en dan verder gaan met haar verhaal? Je kan toch gewoon een vraag stellen?

Nou, nee dus. Hoe dat zo?

Één kleuter kan meer vragen dan duizend ouders kunnen beantwoorden

Kijk, puur logisch bezien is het waar: je  kan iemand anders altijd een vraag stellen. Zoals een kleuter die zijn ouders gek maakt met het eeuwige ‘waarom’:

Ouder: “We gaan nu tanden poetsen”

Kleuter: “Waarom?

Ouder: “Om je tanden schoon te maken”

Kleuter: “Waarom?”

Ouder: “Omdat ze anders stuk gaan”

Kleuter: “Waarom?”

Ouder: “Omdat er bacterieë..euhh, hele kleine beestjes op je tanden zitten die anders je tanden opeten”

Kleuter: “Ieeeeh! Waarom?”

Ouder: “Weet ik veel, omdat ze honger hebben?”

Kleuter: “Waarom?”

Ouder: *AAAARGHH*

Precies waarom Louis C.K. nooit andere ouders veroordeelt  (als hij zijn broek aanhoudt, tenminste)

Wanneer je iets vraagt, wil je zelf ook iets

Dus ja, logisch gezien kan dat. Maar volwassenen weten, om er maar eens een gedwongen binnenrijm tegenaan te gooien, dat wat logisch gezien kan, niet altijd sociologisch gezien kan.

Wat?

Simpel: als jij een vraag stelt aan iemand, gaat het je niet alleen om de inhoud van de vraag die je stelt. Het gaat je óók, en vaak vooral, om de sociale verhouding tussen jou en de beantwoorder. Preciezer gezegd: als je een vraag aan iemand stelt, dan geef je daarmee tegelijkertijd jouw mening over jezelf en de ander in het sociale verkeer. Een abstract concept, dus hieronder wat voorbeelden:

De straatverkoper van de krant vraagt: ‘krantje mee, mevrouw?’

De sociale verhoudingen liggen hier voor de hand: de verkoper wil iets verkopen. Haar mening over zichzelf: zij heeft een product wat ze kwijt wil. Ze denkt dat óf de aangesprokene aan dit product wel behoefte heeft, óf dat ze die behoefte in een kort gesprekje wel kan aanwakkeren. Gedurende haar werkdag zal de straatverkoper natuurlijk ook bij hoog en bij laag beweren dat zij echt de beste krant verkoopt.

Van deze situatie raakt niemand in de war. Natuurlijk is de straatverkoper helemaal niet écht nieuwsgierig naar of de aangesproken mevrouw toevallig net een krant nodig had. Natuurlijk heeft de straatverkoper geen open houding tegenover het antwoord: zij heeft liever een ‘ja’ dan een ‘nee’.

Influencer Lize Korpershoek vertelt je precies hoe je ervan afkomt: bedenk dat zo’n straatverkoper ook maar een student is, die het voor het geld doet (of seks, of kwarktaart, of allebei). 

Je partner vraagt bij het eten: ‘kan je me het zout aangeven?’

Deze is al iets moeilijker, maar ligt ook voor de hand. Iedereen weet wat er gebeurt als je deze vraag puur logisch opvat, omdat iedereen het wel eens geprobeerd heeft. Zeg maar eens ‘ja, dat kan ik’ – en laat het daarbij. Wat zie je nu?

Rollende ogen, diep gezucht en een zwaar ironisch ‘ha. ha. ha.’

Want natuurlijk bedoelde je partner het volgende te zeggen:

  1. ik wil graag zout over mijn eten strooien
  2. ik zie dat jij me dat kan aangeven
  3. ik zie je niet als Dobby-de-huiself en kan je dus niet zomaar een bevel geven

Ze bedoelde kortom, deze vraag als een vriendelijk verzoek tot actie van jouw kant. En jij bent een luie wijsneus omdat je dat niet zo interpreteert. Kom op zeg, geef dat zout nou eens door.

Zout vroeg ik, niet dat andere witte spul. Allemachtig…

Je baas begint een beoordelingsgesprek met: ‘hoe vind je zelf dat het gaat?’

Uhh, ja. Nou. Uhmm. Wel goed… denk ik?

Dit is natuurlijk de flauwste manier om een beoordelingsgesprek te beginnen. Zelfs wikipedia is er duidelijk over: bij een beoordelingsgesprek beoordeelt de leidinggevende hoe de werknemer het doet. Door een beoordelingsgesprek op deze manier te beginnen, schendt je baas jouw verwachtingen over hoe zo’n gesprek moet gaan.

En natuurlijk ga je nu nadenken: waarom doet zij dat? Je weet het niet zeker, maar het zouden de volgende redenen kunnen zijn:

  1. Je baas heeft op een coachingscursus geleerd dat je altijd moet beginnen met vragen, omdat je zo mensen ‘meer in hun kracht zet’
  2. Je baas heeft eigenlijk niks te melden op dit gesprek, dus hoopt maar dat jij wat verzint om zo het komende half uur door te komen
  3. Je baas heeft een keihard negatief oordeel, maar durft dat nog niet zomaar te zeggen

Je weet niet wat de échte reden is, maar één ding is duidelijk: niemand gelooft dat de baas zo’n vraag alleen maar uit warme, open nieuwsgierigheid voortkomt. Een pure ‘open vraag’ bestaat vrijwel niet. En dus:

Een politieke ‘open vraag’ bestaat al helemaal niet

Want politiek is een eigen, uniek speelveld. We hebben je eerder al verteld dat politieke ideologie je vragen sowieso al verkleurd. En dat je in die ruzie-achtige setting je je vragen veel gemener moet formuleren dan dat je dat anders zou doen. Een kruisverhoor doe je niet met appreciative inquiry.

En dat verklaart dus de felle reactie van politica Ilhan Omar op deze ogenschijnlijk onschuldige vragenstelster. Omar hoorde niet alleen de logische kant van de vraag, maar ook de sociologische. Ze hoorde dat de vraag méér was dan alleen een ‘hey, oh, by the way – wat vind jij eigenlijk van vrouwenbesnijdenis?’.

Helemaal in de VS, waar de vragenstellers uit het publiek vaak betaald worden door de campagnes van de tegenpartij – zoals in dit debat in 1992, waar George Bush de Oudere nat ging tegen Bill Clinton. 

Terecht diagnosticeerde Omar dat deze vrouw zo’n vraag nooit zou stellen aan een roomblanke WASP-politicus, en dat die vraag keer op keer wel aan haar gesteld werd. Dat zij als mens in het sociale spelletje van ‘de politiek’ telkens een ándere rol toebedeeld kreeg dan haar concullega’s, en dat de vragenstelster daaraan bijdroeg.

Ze hoorde terecht dat de vragenstelster haar met die vraag in een frame duwde. Het frame waarbij zij, Ilhan Omar als eeuwige buitenstaander te boek komt te staan, voor eeuwig wezensvreemd aan De Echte Amerikaanse Normen En Waarden. Iemand die altijd ‘coming to America’ is, maar er nooit echt mag aankomen.

En als er één ding is wat je kunt leren op onze debattraining: stap nooit in het frame van de ander. Dus dat deed Ilhan Omar ook niet – en vandaar haar felle reactie.

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.